Wat kan het schelen?

In Wat kan het schelen? beter bekend als ‘het Harper’s Essay’, schrijft Jonathan Franzen in 1996: ‘Literatuur en commercie hebben nimmer een innige verhouding gehad. De gebruikseconomie wil liefst producten die winst opleveren, snel slijten of regelmatig verbeterd moeten worden, en levert met elke verbetering een marginaal gewin aan bruikbaarheid. Voor zo’n economie is nieuws dat nieuws blijft meer dan zomaar een inferieur product, het is een antiproduct. Een klassiek werk is goedkoop, eindeloos herbruikbaar en, wat het allerergste is, niet te verbeteren.’

In een kapitalistisch systeem zou grootse literatuur dus nooit verkopen. Omdat niemand het aan de man zou willen brengen.

Nogmaals Franzen (sprekend over het feit dat de enige twee auteurs die de afgelopen 10 jaar op de omslag van Time magazine hebben gestaan, Scott Turrow en Stephen King zijn): ‘De dollar is dezer dagen de maatstaf van cultureel gezag, en een blad als Time, dat zich nog niet zo lang geleden ten doel stelde de nationale smaak te vormen, functioneert nu voornamelijk als afspiegeling ervan.’

Afgelopen jaar sierde ook Franzen de cover van Time. Zijn Freedom is een wereldwijd succes, er zijn miljoenen exemplaren van verkocht. Het wordt beschouwd als een vlijmscherpe kritiek op de hedendaagse Amerikaanse samenleving die geregeerd wordt door het kapitalisme. Ik vraag me zo af hoe Jonathan Franzen op zijn Harper’s Essay terugkijkt.

Zou hij zeggen dat hij destijds ongelijk had? Dat het allemaal wel meeviel en hij het wat zwartgallig zag? Of zou hij stellen dat het inmiddels beter met de wereld gaat? Dat in de door hem genoemde ‘gebruikseconomie’ langzamerhand ruimte is gekomen voor duurzaamheid, waardoor ook een onveranderlijk product als een klassiek werk goed kan verkopen?

Of zou hij zijn huidige succes wantrouwen? Omdat dat is hoe dominante ideologie werkt: tegendraadse stemmen worden ingelijfd, opgeslokt, om de geuite kritiek daarmee onschadelijk te maken.

In de Verenigde Staten had Jonathan Franzen al vanaf zijn debuut ‘de 27ste stad’ succes. In het Harper’s Essay schrijft hij over dat succes: ‘De grootste verrassing evenwel – het echte criterium voor hoe slecht ik had geluisterd naar mijn eigen waarschuwing in het boek – was dat mijn cultureel geëngageerde roman er totaal niet in slaagde een dispuut over de cultuur uit te lokken. Ik had willen provoceren; het enige wat ik ermee bereikte waren zestig recensies in het luchtledige.’

Aan die zinnen moet hij toch af en toe terug gedacht hebben, toen hij bij Oprah Winfrey in de studio zat.

Geef een reactie