de tijd staat stil

Als we alles kunnen onthouden, als geen moment meer onopgemerkt voorbij hoeft te gaan, als het verleden met andere woorden nooit echt verdwijnt, is het dan nog mogelijk om iets nieuws te bedenken?

Het is allemaal de schuld van internet. Wat is internet tenslotte anders dan een extern geheugen? Net als bij de twee eerdere grote uitvindingen van de mens – die van het schrift en de boekdrukkunst – leggen we er gedachten, ideeën, verhalen en beelden mee vast voor het nageslacht. 

Internet doet dat alleen beter dan ooit tevoren. 

Op YouTube staat bijna elk bekend beeld dat ooit geschoten is. Via Google is alles toegankelijk wat in de afgelopen decennia geschreven is. Als tijdreizigers surfen we heen en weer. Ook door onze eigen geschiedenis. Op sociale media delen we waar we waren, met wie we daar waren, af en toe boeren de platformen een oude foto op – dit is waar je 3,5 of 7 jaar geleden was. De foto wordt opnieuw gedeeld.

Sinds internet heeft tijd geen richting meer. Het is een grabbelton geworden waar naar believen uit wordt geput. Het verleden is geen ‘foreign country’ meer, maar een stilstaande zee die ons aan alle kanten omringt. 

Onlangs hadden mijn buren een feestje. Ik woon naast een studentenhuis, het was mooi weer, dus genoot ik overal van mee. Ze draaiden Small Town Boy van Bronski Beat. Sweet Dreams van The Eurythmics. Come back and stay van Paul Young. Ik kende alle nummers. Net zoals ik een week eerder alle nummers kende die op de kermis uit de boxen schalde. 

Het was leuk om Sweat (ah la la la la long) van Inner Circle weer te horen. 

Alleen – dit zijn allemaal hits uit mijn vroegste jeugd. Sweet Dreams is meer dan 35 jaar oud.

Dat is alsof tijdens mijn eigen studententijd, halverwege de jaren negentig, op feestjes en de kermis niet Dr. Dre zou worden gedraaid maar Cliff Richards. Niet DJ Paul Elstak maar Anneke Gronloh met Brandend Zand. 

Het verschil is alleen dat the Eurythmics nauwelijks verouderd klinken.

Online, bij boze, witte mannen, is de term taking the red pil populair. Het komt uit de film The Matrix, de rode pil laat Neo de waarheid over onze werkelijkheid zien. The Matrix is twintig jaar oud. De boze, witte mannen citeren Fight Club van Chuck Pallahniuk: ‘You’re not a beautiful and unique snowflake’. Ook Fight Club is twintig jaar oud.

Als ik tegenwoordig foto’s van mezelf zie uit de jaren negentig moet ik niet lachen om dat gekke haar of die rare kleding, maar vraag ik me af waar dat leuke truitje gebleven is. 

Ooit waren decennia makkelijk van elkaar te onderscheiden. Niemand zou de jaren vijftig en zeventig met elkaar verwarren. 

De jaren vijftig, dat waren Elvis Presley, Rebel without a cause met James Dean, petticoats en cadillacs. De jaren zeventig? The Sex Pistols, Taxi Driver met Robert de Niro, oranje met bruine interieurs en kamerplanten. 

Maar wat is het verschil tussen de jaren negentig en nu? 

Qua technologie – alles. Twintig jaar geleden was er nog geen internet zoals we dat nu kennen, geen mobiele telefoon, geen wereld in de palm van je hand. En toch is er in de populaire cultuur weinig veranderd. 

Een powerballad van Celine Dion is verruild voor een powerballad van Adele. Terminator maakte plaats voor Transformers. Alle superhelden uit al die films die het nu zo goed in de bioscopen doen werden bedacht in de jaren vijftig. In de mode kan alles eigenlijk wel. De ene dag kleed je je als Joan uit Mad Men, de volgende in een bedrukt spijkerjack a la early-Madonna. 

Maar the shock of the new, de schok die rock ’n roll, house en hiphop ooit teweeg brachten, de schok van de minirok of pop-art, kennen we niet meer. 

Vernieuwing, dat is tegenwoordig de iPhone 7 die de iPhone 6 vervangt. De Billy boekenkast die er nu ook is in kersenhout. De panterprint die weer kan dit jaar. Het zijn veranderingen die net groot genoeg zijn om de consument tot een nieuwe aanschaf te verleiden maar daar houdt het verder wel mee op. We zitten in een loop.

Het ‘minder, minder’ van Geert Wilders is het ‘vol is vol’ van Hans Janmaat uit de jaren tachtig. Rechtse partijen wereldwijd beloven een terugkeer naar de veilige, roomwitte jaren vijftig, of langer geleden, zoals Thierry Baudet, naar de negentiende eeuw. Links partijen zoeken nog steeds naar hun afgeschudde ideologische veren. 

Alsof ook politici zich geen andere toekomst meer voor kunnen stellen dan degene die zich al heeft voorgedaan.

‘All things are happening all the time. All past, present and future is happening right now,’ zegt Nick Cave in de documentaire Once more with feeling.

‘Lately I’ve been feeling like Guy Pearce in Memento,’ rapt Drake in Tuscan Leather.

De tijd staat op repeat.

Er is geen verleden meer en daarom is er ook geen toekomst meer. De enige toekomst die we ons tegenwoordig nog voor kunnen stellen, lijkt een punt te zijn. Een moment waarop alles stopt. Als de opwarming van de aarde leven onmogelijk heeft gemaakt. Als we niet alleen 1 miljoen dieren hebben uitgeroeid maar ook onszelf. Of, andere mogelijkheid, als de Artificiële Intelligentie die we zelf ontwikkelt hebben ons overbodig heeft gemaakt. 

We sudderen een beetje door op de weg die we zijn ingeslagen en dan eindigt het met een knal.

Zelfs in een serie als Star Trek, de meest optimistische en hoopvolle serie ooit gemaakt, schiet de verbeelding tegenwoordig tekort. 

Al sinds de jaren ’60 presenteert Star Trek ons een utopia waarin niet schaarste regeert, maar overvloed. Replicators, of 3D printers, hebben geld overbodig gemaakt, de mensheid heeft zich ontpopt tot de hoeder van het goede, strijder voor galactische rechtvaardigheid en waardigheid voor alle levensvormen. De toekomst belooft altijd beterschap.

Hoe anders is dat in het laatste seizoen uit de laatste serie, Discovery, van dit jaar. Voor het eerst dreigt er helemaal geen toekomst meer te zijn. Wat er in dit seizoen op het spel staat is het einde van alles dat ademt en leeft.

Verdwenen zijn de grote dromen, verdwenen is het opgewekte ‘to boldly go where no man has gone before’. Binnen het Star Trek universum is dat ongehoord. Maar binnen de huidige tijdsgeest allesbehalve. Daar bestaat de toekomst al sinds de jaren negentig niet meer. 

We zijn aanbeland bij wat Francis Fukuyama in 1992 het Einde van de geschiedenis noemde.

Volgens Fukuyama had het kapitalisme wereldwijd gewonnen, en in haar kielzog dus ook de democratie. Fukuyama is er later vaak om beschimpt. Hij had China, allesbehalve een democratie, over het hoofd gezien. Hij had de fanatici van het jihadisme over het hoofd gezien. 

Maar Fukuyama had nooit betoogd dat de geschiedenis letterlijk was gestopt. Natuurlijk zouden er nog steeds dingen gebeuren, natuurlijk zouden er nog steeds marginale groepen strijden, en natuurlijk zouden ook trends veranderen, of het nu mode-trends waren of ideeën-trends. Wat hij bedoelde was dat dit alles meer van hetzelfde zou zijn. 

‘Het einde van de geschiedenis zal een hele droevige tijd zijn,’ schreef hij in The End of History or The last Man. ‘De strijd voor erkenning, de bereidheid om je leven te wagen voor een abstract doel, de wereldwijde ideologische strijd die opriep tot lef, moed, verbeelding en idealisme, zal worden vervangen door economische berekening, het eindeloos oplossen van technologische problemen en de bevrediging van geavanceerde eisen van de consument.’ In de post-historische periode, voorspelde hij, ‘zal er geen kunst of filosofie zijn, alleen het voortdurend onderhouden van het museum van de menselijke geschiedenis.’ 

Hij schreef het allemaal voor de opkomst van internet. Maar wat is Google anders dan een museum van menselijke geschiedenis? Wat zijn sociale media anders dan musea van onze persoonlijke geschiedenis?

Het effect, schrijft Fukuyama, is ‘een krachtige nostalgie naar de tijd toen de geschiedenis nog bestond.’ Toen het verleden nog wel een foreign country was waarin mensen leefden die heel anders waren dan wij.

Met de geschiedenis is echter nog iets verdwenen. De toekomst. 

Waar we naar verlangen is niet alleen een tijd dat geschiedenis nog bestond, maar ook een tijd waarin er nog een toekomst denkbaar was. Een toekomst die meer beloofde dan meer van hetzelfde. Een toekomst waarin aan de horizon het onbekende gloorde in plaats van een zwart gat waar alles in verdwijnt.

De nostalgie naar vroeger is ook een nostalgie naar later. De nostalgie naar het oude ook een nostalgie naar het nieuwe. Wat we zoeken is ontsnapping uit een wereld waarin het kapitalisme alles gelijk heeft gemaakt.

Landen zijn steeds meer op elkaar gaan lijken omdat iedereen hetzelfde koopt in dezelfde H&M’s, Ikea’s en Starbucks. 

Mensen zijn steeds meer op elkaar gaan lijken, vanwege de spullen, maar ook omdat bijna alle strijd zich tegenwoordig op gelijkheid richt. We moeten gelijk zijn aan elkaar. We moeten hetzelfde zijn, klagen de boze, witte red-pillers – zelfs vrouwen en mannen mogen niet meer van elkaar verschillen. Op een bepaalde manier hebben ze gelijk. Alles wordt 1, alles komt samen in een uniform en eeuwig heden. 

‘De tijd staat stil, wij zijn het die voorbijgaan,’ dichtte Jan Eijkelboom in Papeters. 

Het eindigt als volgt – ‘Het is je dode moeder die roept eet toch je bordje leeg anders word je nooit groot. / Papeters in miljardenvoud trekken voorbij en een versteende generaal neemt het in ogenschouw maar ziet ons niet.’ 

Misschien komt het daar wel op neer. Wat we willen is meer dan een van de velen zijn. Meer dan een papeter in miljardenvoud. Wat we willen is ontsnappen aan de geschiedenis, die versteende generaal die alles en iedereen gelijk maakt. Wat we willen is dromen van een toekomst waarin alles anders is. Waarin ook wij anders zijn. Anders dan we ooit waren en anders dan alles wat ooit is geweest. Wat we nodig hebben is een tijd die weer gaat stromen. 

Deze lezing hield ik tijdens de vijftigste editie van Poetry International, The Future Revisited op 15 juni 2019

Geef een reactie