Allemaal Alice in Wonderland

Het lijken twee gescheiden werelden: die van het denken en die van het doen. Die van de theorie en die van de praktijk. Of zoals Marjolijn Februari als voorbeeld geeft: ‘Een vriendin van mij had vroeger een relatie met een man die bij alles wat gebeurde eerst een boek ging lezen. Als hij een fototoestel kocht moest hij tegelijk een boek kopen om te weten hoe het werkte. Andere mensen drukken gewoon op wat knoppen. Ik leef en functioneer in een wereld waarin iedereen alles per boek doet.’

Het is de wereld van academici, intellectuelen en beleidsmakers. Kennis en regels staan er voorop. Maar Marjolijn Februari begrijpt ook die andere kant, ‘Ik heb twee zielen in mijn borst’, en dat is hoog nodig, want de intellectuele elite vergeet maar al te vaak dat de werkelijkheid oneindig veel woester is dan in theorieën of modellen te vangen valt.

In dat opzicht is Alice in Wonderland de perfecte vergelijking. Niet voor niets is het Marjolijn Februari’s lievelingsboek. ‘Over het algemeen denken mensen dat Alice in Wonderland over een fantasiewereld gaat, maar eigenlijk gaat het over de werking van kennis. Wanneer Alice in onze wonderlijke wereld terechtkomt, probeert ze voortdurend regels toe te passen die ze op school heeft geleerd. Maar dat werkt niet. Omdat ze de regels niet meer zo goed weet en ze dus maar half toepast, maar ook omdat de werkelijkheid veel vreemder is dan ze op school heeft geleerd.’

Alice in Wonderland toont ons zo de voortdurende mislukkende poging om greep te krijgen op de werkelijkheid. ‘Dat maakt het boek ook zo dramatisch, omdat zij dat maar steeds ijverig blijft volhouden en proberen, waardoor ze een tragische held is.’

En in feite zijn we dat allemaal. ‘Ik denk dat dat ons aller tragiek is, dat we voortdurend proberen om de wereld netjes te ordenen en te begrijpen, maar net als bij Alice lukt dat steeds niet. De werkelijkheid schiet er aan alle kanten onderdoor.’

Juist die wisselwerking tussen regels, theorieën en principes enerzijds en de weerbarstige werkelijkheid anderzijds fascineert Marjolijn Februari. ‘Het is een voortdurende cirkelgang, we passen regels toe en veranderen daarmee de praktijk. Blijkt dat geen succes, dan veranderen we de regels en proberen het opnieuw, maar nooit sluit alles perfect aan. Omdat de werkelijkheid telkens wonderlijker blijkt dan we dachten.’

Dat is wat Marjolijn Februari vooral via haar werk wil doen: ‘Het bewustzijn creëren dat die cirkel bestaat. Mijn werk, zowel mijn literaire werk als mijn advieswerk, is een vertaalslag tussen de woeste mensen van het leven zelf en de nette geordende mensen van de regels, de ambtenarij. Ik loop van de een naar de ander en probeer ze aan elkaar uit te leggen.’

Daarbij zou ze het liefst alle lagen van de bevolking aanspreken, – ‘Ik heb wel eens tegen een vriend gezegd: eigenlijk zou ik wel langs zaaltjes willen gaan om iedereen uit te leggen hoe het recht in elkaar steekt en hoe lastig het is om beleid te maken, maar die zei: ze zien je aankomen, zo’n deftige mevrouw’ -, maar vooralsnog richt ze zich vooral op de intellectuele elite.

‘De elite moet beter beseffen waarom mensen tegenwoordig zo wanhopig zijn. Angstig, zeker aan de onderkant van de samenleving, voor dingen die ons overspoelen. Ik begrijp die wanhoop heel goed. Het is de wanhoop van Alice in Wonderland: er gebeuren rare dingen en ik raak de greep kwijt.’ Uiteindelijk helpt kennis toch. ‘Het maakt mensen rustiger, juist als je snapt dat je niet alles kunt controleren en dat wij tragische wezens zijn. Ik las vorig jaar in de krant dat in Nederland twee miljoen mensen een IQ hebben van 85 of lager. Vanuit je keurige elitaire positie kun je boos worden op die mensen, maar je kunt ook denken: zouden we ze niet eens wat uitleggen en ze helpen zich te verhouden tegenover deze ingewikkelde wereld.’

En dat begint door zelf het goede voorbeeld te geven. ‘Als die bovenlaag zich nou eerst gewoon netjes gaat gedragen, en laat zien hoe je de maatschappij fatsoenlijk draaiende houdt, dan zou dat al erg veel schelen. Ik geloof vurig in het idee van het zinkende cultuurgoed, je moet bovenaan beginnen en dan zinkt het goede gedrag vanzelf naar beneden.’

In dat opzicht ligt er ook een taak voor de columnist. Bescheiden misschien, maar ook stukken in de krant bepalen de stemming van een land. ‘Ik merk dat ik de laatste tijd veel columns en krantenstukken in Nederland chagrijnig vind. Je kunt wel zeggen dat alles stom is en dat iedereen alles verkeerd doet, en dat anderen het allemaal mis hebben, maar daar wordt de samenleving niet vrolijker van. De beste analyse op dat punt is het verhaal van Marten Toonder over het monster Trotteldom. In dat verhaal zijn de Trottels heel bang voor een groot wezen dat af en toe het land vertrapt. De Trottels menen te voelen wanneer hij er aankomt en als het zover is springen ze met zijn allen in een gat in de grond om zich te verstoppen. Komen ze weer boven, dan blijkt dat het monster inderdaad alles heeft verwoest. Uiteindelijk komt Tom Poes erachter dat het monster bestaat uit de horde angstige Trottels die massaal zijn weggerend voor het vermeende gevaar. Je kunt als columnist roepen: oh nu gaat alles mis, je kunt vervallen tot chagrijn en ellende en beschuldigingen, maar dan ben je in wezen het monster al geworden dat je vreest. Af en toe moet je jezelf bij de kraag vatten en zeggen: nu gaan we iets leuks doen.’

Zoals bijvoorbeeld in de Annie Romein Verschoorlezing die Marjolijn Februari 8 maart aan de Universiteit van Leiden houdt. Ook hier staat de weerbarstige werkelijkheid weer centraal. Want vooral vrouwen worden nog veel te vaak in een hokje geduwd.

‘Ik krijg zoveel uitnodigingen op basis van geslacht. Als ik vraag waarom ik ben uitgenodigd, is het antwoord regelmatig: “Wij willen graag één man en één vrouw en wij dachten: ja, u bent een vrouw.” Ik citeer graag een redacteur van een literair tijdschrift die ooit zei: “Wij hebben voor het volgende nummer een aantal vrouwelijke schrijvers uitgenodigd en ook een aantal gewone schrijvers.” Dat is geen slip of the tongue. Zo iemand ziet vrouwen gewoon als een subspecies van de idiot savant. Je bent een soort idioot, maar wonderlijk genoeg heb je nog wel ergens verstand van.’

En dat hokjesdenken wordt alleen maar erger. ‘Vroeger kon je wilder en eigenzinniger omgaan met je eigen leven. In de literatuur van de negentiende eeuw verandert iedereen voortdurend van klasse, van cultuur, van geslacht. Je trok andere kleren aan en je was iemand anders. Je dook onder en je was verdwenen. Tegenwoordig kan dat niet meer. Iedereen wordt steeds dwingender vastgelegd in data. Dat pakt vooral slecht uit voor vrouwen. Vrouwen zijn altijd meer een groep geweest. Je zegt nooit: “Dat is een man, dus…” Maar wat voor alle vrouwen geldt, geldt voor iedere vrouw afzonderlijk.’ Zo heet iedere vrouw dol op schoenen te zijn, kan ze geen kaart lezen en wordt ze geleid door emoties. Stereotypes waar de toegenomen digitalisering en commercialisering gretig op in springt. ‘Internet doet niets anders dan profielen maken. Op grond daarvan krijg je aangepaste marketing en selectieve informatie.’ Tel daar het oprukkende conservatisme bij op en het kader is compleet. ‘Een van de belangrijkste onderscheiden in het conservatieve denken is toch die tussen man en vrouw. Ik blijf proberen die ordening overhoop te gooien, te laten zien welke wilde individualiteit er heerst. Je kunt mensen niet onderbrengen in een groep.’ Want uiteindelijk schiet de werkelijkheid er altijd onderdoor. Kijk maar naar Alice in Wonderland.

Geef een reactie